Hebe Kohlbrugge





Hebe Kohlbrugge, achterkleinkind van de bekende 19e-eeuwse theoloog uit Elberfeld, was in de oorlogsjaren ook in Amsterdam betrokken bij het verzet. Achter de schermen werkte ze mee aan de uitgave en verspreiding van het beroemde pamflet Bijna te laat van de Amsterdamse predikant dr. Jan Koopmans. Op last van de bezetter moesten Nederlanders een Ariërverklaring ondertekenen, waarmee ze zouden te kennen gaven dat zij, noch hun ouders en grootouders van Joodse komaf waren. Velen tekenden achteloos, maar Koopmans doorzag de motieven. “Als ik zeg: ik ben arisch, dan verklaar ik daarmee dat ik niet uit mijn baan hoef, maar jij, Jood, wel. Dan verklaar ik: ik ben arisch, maar Jezus Christus is een Jood.” Kohlbrugge, die al in de jaren dertig contact had gelegd met vertegenwoordigers van de Bekennende Kirche, reisde tijdens de Tweede Wereldoorlog ook naar de theoloog Karl Barth in Basel, om hem te consulteren over vragen van predikanten uit het verzet. Onder andere de vraag: Moeten we wel voor het koningshuis bidden, als we daarmee ons leven in gevaar brengen? “Als u het doet omdat u de koningin zo’n aardig mens vindt, kunt u er beter mee ophouden,” zei Barth. “Maar als u het doet omdat zij de vertegenwoordiging is van de rechtsstaat, moet u er zeker mee doorgaan.”
Uiteindelijk zou Hebe opgepakt worden en in concentratiekamp Ravensbrück belanden. Na de oorlog raakte ze al snel betrokken bij contacten met kerken in (Oost-)Duitsland en Oost-Europa. Ze smokkelde bijbels naar communistische landen en zorgde ervoor dat Nederlandse theologiestudenten in Oost-Europa konden gaan studeren.


Contact Donaties Sponsers