DE OORLOG door Selma van de Perre
DE OORLOG door Selma van de Perre
Ik ben een van de weinige overlevende van het Nederlands Joodse volk en ook een overlevende van de Vrouwen van Ravensbrück en Vught. Mijn meisjesnaam was Selma Velleman. Ik ben opgevoed in een liberaal Joods gezin.
Op 10 mei 1940 om 5 uur ’s morgens kwam mijn oudste broer thuis en schreeuwde: “Het is oorlog.” Ik zei “ Oh joh, laat me slapen!” We brachten hem naar zijn schip. Mijn jongste broer was ingekwartierd in Middelburg. Hij moest met de Irene Brigade door België en Frankrijk naar Engeland oversteken. Gelukkig maar, want zo hebben ze het overleefd.
In 1942 kreeg ik de kaart in de bus om me op het Centraal Station te vervoegen voor Polen. Pa zei: “Ziek zijn.” De dokter kwam, en ik kreeg uitstel. Daarna leende ik een verpleegster uniform en ging weer om uitstel vragen. Maar een ziektegeval kon geen sociaal geval worden. Morgen om 8 uur op het Centraal Station. Ik vertelde het aan mijn baas die met zijn buurman, een Duitse emigrant, stond te praten. Die zei: “Kom bij mij op de bontfabriek werken, dan ben je gesperd, vrij.” In oktober werd Pa opgeroepen. De volgende dag werd hij doorgestuurd naar Westerbork. Ik zei tegen mijn moeder: “We moeten onderduiken.” Een vrouw bracht moe en mijn zusje Clara naar een onderduikadres in Eindhoven, waar ze in juli 1943 verraden zijn en via Westerbork naar Polen zijn gestuurd en vermoord. Ik ging naar een vriendin toe. Maar na een week zeiden ze: “Het is te gevaarlijk”, en ik moest weg. Dus ik met mijn koffer op straat naar mijn oom, een zwager van mijn moeder die gemengd gehuwd was met zijn tweede vrouw. Ik stuurde mijn vader pakjes, want hij lag in de ziekenbarak. Op een dag had ik een pakje verstuurd en was een beetje laat voor werk, toen ik op de hoek van de straat een raar gevoel kreeg. Ik keerde om en ging naar huis. Die dag is alle bontfabrieken leeggehaald.
Bij mijn oom had ik al verscheidene keren op het dak moeten klimmen als er iemand kwam. Mijn oom zei dat zijn vrouw erg nerveus werd en dat het veiliger voor mij zou zijn als ik een ander adres vond. Men vond me een adres in Amsterdam-West. Ik was zogenaamd het zusje van de man. Na een poosje ontmoette ik een vriend van mijn neef, die me waarschuwde dat de SS alle adressen leeggehaald had. Ik moest niet teruggaan. Ik kon bij hem logeren. Maar op een nacht werd ik wakker, want hij was in mijn bed gekropen. Ik deed alsof ik sliep. Maar de volgende keer duwde ik hem eruit. En vertelde het aan Dientje Jesse, die in het verzet zat. De volgende dag bracht Wim Storm me naar Leiden. Ik woonde bij Antje Holthuis, die het van Wim overgenomen had als Hoofd van de Neurologische afdeling in het Leidse ziekenhuis. Ik deed alle boodschappen op de fiets en haalde het gaarkeuken eten. De dokters van het Leidse ziekenhuis zaten volop in het verzet en kwamen vaak bij ons eten en vergaderen. Ook Wim en zijn vrouw Ann de Lange. Toen ze vertelden dat er zo’n tekort was aan mensen die hielpen, bood ik mijn hulp aan. En dat was het begin van mijn koeriersters loopbaan. Ik reisde door heel Nederland. Stak de grens over naar België en Frankrijk, sjouwde koffers met nieuwsbrieven, stakingspamfletten, nam vingerafdrukken enz. Er was ook vaak vergadering van de Joop Westerweel groep in Haarlem bij Frans Gerritsen en ik moest er gaan om de deur open en boodschappen te doen. Frans had zijn vrouw Henny en kinderen naar haar ouders in Zeist gestuurd want Frans was vaak weg om iemand uit Westerbork of het Huis van Bewaring te bevrijden.
Op een keer moest ik een koffer halen die Ann de Lange in de trein zette in Amsterdam. Er zaten pakken met Vonken in, een illegaal blad, dat ik moest afleveren in zuid Nederland.
Toen ik naar het toilet was gegaan kon ik de koffer niet meer zien en toen we stopten in Den Haag, riep de vrouw die tegenover me zat uit het raam: ‘De koffer van het meisje is gestolen!” “Eruit” zei de Duitse officier, die met de conducteur stond te praten. En ik eruit. Wat zit erin? Kleren. En gelukkig werd hij weggeroepen en ik sprong op de wegrijdende trein. Maar toen we stopten in Dordrecht hield de conducteur me tegen. Hij gaf me een koffertje, dat niet van mij was. De dief moet angsten uitgestaan hebben met die illegale bladen.
Omdat ik zoveel reisde was het beter, zei men, als ik in centraal Utrecht ging wonen met een nieuw echt persoonsbewijs en de naam van een 20 jaar geleden overleden baby Margaretha van der Kuyt. Ik werd naar boerderijen en huizen gestuurd met bonkaarten, persoonsbewijzen en geld. Of praten met studenten die ondergedoken zaten.
Frans had me al maanden beloofd boekenplanken te maken met geheime vakken voor al het materiaal dat ik in mijn koffer onder mijn bed had. In juli 44 belde Jan ook van onze TD groep me, hij had de planken op Peters kamer. Toen hij me getoond had hoe het werkte, hoorde ik de buitendeur, keek naar beneden en zag Peter tussen 2 Grüne Polizei. Hij werd zo bleek als een doek toen hij me zag.
We werden ieder in een auto naar het Huis van Bewaring in Utrecht gebracht. De bewaakster zei: “Ga naar de wc en verscheur je dagboekje.” Ik hield vol dat er niets in stond, maar ze zei ze vinden altijd wel wat. Dus deed ik het. Er was een dagruimte en 3 cellen. Een meisje van wei 2 vrienden die dag doodgeschoten weren, fluisterde tegen mij. “De ander is een verraadster, speciaal hier neergezet om ons uit te horen.” Ik zei, wel ik heb niets gedaan. Na een nacht in de cel werd ik tussen 2 Grüne Polizei naar Amsterdam gereden. Toen ik uit de auto stapte zie de Duitser bovenaan de trap: ”Was ist das?” Mijn begeleider antwoordde “ Oh das Mädchen hat nichts damit zu machen.” Het meisje heeft er niets mee te maken. “ Glaub ik nicht”, geloof ik niet, zegt Lages, het Hoofd van de Polizei in Nederland. Het hart zonk me in de schoenen. Maar ik glimlachte en binnen werd ik in een fauteuil neergezet. Ze namen mijn tas en verdwenen om mijn papieren te controleren. Ik dacht dat mijn laatste uur geslagen was - toen gaven ze mijn tas terug. In orde. Ik werd naar een gevangenis gebracht in een cel met 4 anderen en 1 bed.
Ik durfde niet te slapen uit angst dat ik zou praten. Overdag zongen een meisje en ik Hollandse liedjes en deden gymnastiek. Terwijl ze mijn haar kamde zei ze: “je hebt net jodenkrulletjes.” Ik schrok me dood, lachte en zei: “Kind doe niet zo gek.” Ik had verscheidene verhoren maar hield vol dat ik het vriendinnetje was en wist van niets. Ze waren meer geïnteresseerd in de jongens, die erg geslagen werden. Een andere keer toen mijn blonde haar begon uit te groeien. “ Waarom heb je je haar geverfd.” Ik antwoordde: “wat kan een meisje anders doen, er is niets te koop, je haar laten doen is het enige.” En hij slikte dat ook.
In augustus werden we per trein naar het concentratiekamp Vught gebracht. We kregen een blauwe overall aan en een blauw hoofddoekje met witte stippels. De volgende dag werd mijn werk aangewezen, ik moest de zaal van het kinderschooltje dweilen en schoonmaken. Tot mijn verbazing waren er mannen aan het schilderen op de muren. En Ineke, de kleuteronderwijzeres was aan het praten en lachen met ze. Geen Aufseherin te zien. Ik ontmoette Wil Westerweel, de vrouw van Joop, die ik goed kende van de vergaderingen in Haarlem. En ook Ada van den Bosch, die weer gepakt was. Na enige dagen naar Den Bosch, waar we in een fabriek werkten. Het was een klein kamp met een paar barakken. Een daarvan had de toiletten. Op een dag stonden we in de rij voor de wc’s, toen mijn voorgangster aan de ketting trok en ik zag het watercloset naar beneden komen. Ik sprong automatisch naar voeren en het viel op mijn hand en scheurde de helft van mijn duim af. Een van onze groep, een verpleegster, heeft het weer aan elkaar gebonden en de Duitsers gaven me een week vrijaf. Daarna kon ik alleen maar de gasmaskers controleren en in de kisten zetten. We hebben daar veel gesaboteerd. Ik heb nog altijd last van die duim.
Na de invasie, september 1944 werden we naar Vught gebracht en daar op de trein naar Ravensbrück. Ik probeerde nog onder een matras te kruipen, maar een Aufseherin kwam controleren en duwde me in de laatste wagon. Daar was ik met een groep prostituees, die een ton met eten en brood meegenomen hadden. Onderweg heb ik een briefje in een spleet geworpen. Pas een paar jaar geleden gaf mijn vriendin Greet het aan me. Heb geprobeerd de man die het vond te bedanken, maar hij was er niet meer.
In Ravensbrück moesten we de eerste nacht in een tent op het gruis slapen. We werden gedoucht en door de dokter bekeken en kregen dunnen gestreepte gevangenisjurken aan. We kwamen in een barak, waar Poolse vrouwen sliepen in stapelbedden als wij aan het werk waren en vice versa.
Na enige dagen werd ik bij de Blockälteste geroepen die met een Aufseherin vroeg of ik naar een Muttiheim wilde gaan. Daar zou ik goed eten en melk krijgen. Ik zei nee. De groep moest zwaar werk doen, maar Wil Westerweel en ik kropen in een andere barak onder de matrassen en filosofeerden. Ik spaarde mijn ene snee brood per dag op tot ik voldoende had om te ruilen voor een lange mannenonderbroek, die me de volgende maanden warm hield. En Gusta die in het bed onder mij sliep zei in 1975 bij de onthulling van ons monument: “Ik herinner me jou heel goed, Marga met die lange witte benen die naar beneden kwamen.”
Ik moest bij de Siemensgroep gaan werken. Ik moest solderen, maar mijn vingers konden dat niet. Als de telefoon ging, sprong ik op. Tot op een dag Berlijn aan de telefoon was en toen ik de chef riep, werd hem gezegd dat geen gevangene de telefoon mocht opnemen. Enige dagen erna, toen er appel was en ik niet vlug genoeg van de wc af kon omdat ik erge diarree had, begon een Duitser me met zijn leren riem af te ranselen en sleurde me naar het appel toen. Ik viel flauw en Anneke Droog en nog een meisje droegen me naar de ziekenbarak waar 2 Duitse vrouwen, die aan het andere eind van het bed lagen, me de volgende morgen het bed uitgooiden. “Die vuile Holländerin heeft zich niet gewassen.” Ik kroop naar de gang om me te wassen. Een Aufseherin zei tegen een verpleegster: “ik dacht dat die vanmorgen dood zou zijn.” En ze duwde me terug in bed. Ik zag vreselijke dingen daar gebeuren. Vught was een sanatorium vergeleken met Ravensbrück. Toen kwam een meisje vragen naar Marga van der Kuyt. Siemens zou een nieuwe barak openen en Herr Seefeld, de chef had gevraagd of ze me kende. Hij vertelde me later dat hij me opgemerkt had met de telefoon. Ik zat tegenover hem aan een bureau. Moest papieren invullen 1 week ’s nachts en 1 week overdag. Seefeld was een burger, die al van jongs af aan bij Siemens werkte. Ik deed hem aan zijn dochter denken, zei hij. Ik had weer geluk, mijn Aufseherin was ook vrij geschikt. Ze liet me ’s nachts alleen naar buiten naar de wc gaan en ik heb verscheidene keren gedacht om te ontsnappen. Maar je kon de wachttorens zien en trouwens, in mijn geval was ik veiliger daar. Op een nacht kwam het hoofd Aufseherin controleren en ik lag te slapen op een bed in de kantoorruimte. Ze was razend en de Aufseherin kreeg erg op haar kop en ik ook. Maar ik voelde me zo slap. Seefeld zei verscheidene keren: “Van der Kuyt ga niet door de pijp” (het crematorium). Hij vroeg me om te gaan praten met Tonnie, de andere Hollandse in de barak, die doorlopend aan het huilen was. En toen ik hem vertelde van Mevr. en Jackie van der Aa die zo’n zwaar werk moesten doen, zorgde hij ervoor dat ze boven in zijn barak kwamen. Toen Tonnie met Kerstmis vrij kwam, zei hij tegen mij: “Als jij vrij komt Van der Kuyt, ga dan naar Berlijn en zeg dat ik je stuur, dan krijg je een goede baan.” Ik dacht, je moest eens weten.
In april 45 moesten we naar het grote kamp lopen en we dachten dat we gedood zouden worden net als de ouderen enige weken voordien. Maar we werden bevrijd door het Zweedse Rode Kruis. Maar de wagens met Graaf Bernadotte waren er niet en we hebben die nacht buiten het kamp in de open lucht gestaan. De Zweedse officier bood met een sigaret aan. Mijn Aufseherin riep vanuit het raam: “Niet roken Marga.” De Zweed zei “ze heeft niets meer over je te zeggen.” Toen wist ik dat we vrij waren.
De volgende morgen werden we in militaire vrachtwagens naar Denemarken gereden. Onderweg stopten we in een bos om iets te eten en te drinken, toen er geschoten werd en we vlug in de wagens moesten. Ik was aan het vechten met een meisje omdat ze beloofd had dat ik na haar bij de chauffeur mocht zitten. Mijn vriendin trok me in de voorste wagen en zo zijn we de dood weer eens ontsnapt, want de andere werd beschoten.
In Malmo moesten we onze namen geven. Na een poosje vroeg ik “waar gaan die lijsten naar toe?” Naar Londen, niet naar Nederland want dat is nog bezet. Waarom? Wel, ik heet eigenlijk Selma Velleman, niet Marga van der Kuyt. Gelukkig, want later in Skatos kwam een telegram van mijn broer, die bij de medische dienst in Londen werkte en de lijst als een van de eersten in handen kreeg. Toen er in de eetzaal afgeroepen werd “is er een Selma Velleman hier”, zei ik, ja dat ben ik. Iedereen was verbaasd.
Op 5 mei kwam de Consul ons vertellen dat de oorlog voorbij was en hij vroeg aan Thea Boissevain en mij of we wilden helpen op het consulaat in Stockholm. Mijn baan was contact op te nemen met zieke Nederlanders en te zien wat ze nodig hadden. Later de lijsten maken met namen voor de vluchten naar Holland
Toen mijn broer schreef dat hij 30 augustus naar Holland kwam, ben ik ook gegaan. Ik had geen thuis meer. Mijn ouders en zusje zijn niet teruggekomen. Toen ontving ik een brief: “Wilt u zich melden op het Ministerie van Oorlog in Den Haag, maandag 14 november voor de vlucht naar Londen.” Daar ging ik in een klein militair vliegtuig met een sergeant, en werd aangesteld als secretaresse van het Hoofd van de Medische Dienst. Een saaie baan vergeleken met mijn oorlogsdagen. Ik ben dan ook vrij vlug verhuisd naar de BBC, Radio Oranje, waar ik mijn man heb leren kennen. Ik had de eerste jaren een ontzettend moeilijke tijd.
Iedere morgen voel ik me gelukkig dat ik nog in leven ben. Ik kan nog steeds geen TV of krant zien over de vernietigingskampen. Het is heel erg dat de les niet geleerd is door de volkeren. Er is nog steeds haat en afgunst overal. Daarom zijn de reizen van leerlingen en vooral Pabo-studenten zo belangrijk. Zodat ze het uit de mond van de oude gevangenen zelf kunnen horen.
Herdenken is belangrijk, de geschiedenis van het verleden; er zijn maar weinig die het persoonlijk hebben meegemaakt en kunnen navertellen. Het is daarom ook belangrijk voor de toekomst, dat e jeugdige generaties weten wat er gebeurd is en dat ze daarom een toekomst moeten bouwen zonder haat en afgunst, maar in vrede en in de hele wereld. Te beginnen in hun omgeving.